Telecomkosten door Cybersecurity Act zwaar overschat
De miljardenverliezen waar Europese telecomproviders voor waarschuwen vanwege strengere Europese cybersecurityregels, zijn grotendeels gebaseerd op mythes. Dat stelt onderzoeksbureau Strand Consult in een nieuw rapport. De werkelijke kosten voor het vervangen van omstreden Chinese netwerkleveranciers zoals Huawei en ZTE vallen in de praktijk reuze mee en de soevereiniteit van het Europese netwerk staat op het spel.
Aanleiding voor de discussie is de herziening van de Europese Cybersecurity Act (CSA2). De Europese Commissie introduceerde hiermee een strenger kader voor de toeleveringsketen van digitale infrastructuur. Brussel schat de nalevingskosten voor mobiele operators op 3,4 tot 4,3 miljard euro per jaar, gedurende een periode van drie jaar. Lobbyclubs uit de telecomsector grepen die cijfers aan om te waarschuwen voor enorme vertragingen bij de uitrol van 5G-netwerken.
Angstzaaierij versus de realiteit
Volgens Strand Consult, dat al acht jaar empirisch onderzoek doet naar telecomveiligheid, is die angst onterecht. Landen die al eerder afscheid namen van zogeheten High-Risk Suppliers (HRS), zoals het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Noorwegen, lieten juist géén vertragingen of extreme kostenstijgingen zien.
Neem Denemarken: vóór de transitie waren twee van de drie landelijke netwerken volledig afhankelijk van Chinese leveranciers. De operators stapten soepel over naar vertrouwde Europese alternatieven (zoals Ericsson en Nokia) tijdens hun reguliere moderniseringsronde van 4G naar 5G. Inmiddels test het Deense netwerk als het snelste en beste van Europa.
Ook de impact in het Verenigd Koninkrijk bleek mild. Telecomreus BT voorspelde destijds een kostenpost van 100 miljoen pond per jaar. Achteraf bleek dit geen 'extra' uitgave, maar het naar voren halen van investeringen die sowieso al op de planning stonden voor de 5G-upgrade. Het bedrag besloeg bovendien slechts 2,4 procent van BT's totale jaarlijkse infrastructuurbudget.
Het probleem ligt bij een select groepje
Het rapport legt bloot dat het resterende risico in Europa enorm geconcentreerd is. Begin 2026 was nog zo'n 30 procent van de Europese netwerken afhankelijk van risicovolle leveranciers – een percentage dat door aankomende wetgeving in onder andere Polen en Portugal snel richting de 20 procent daalt.
De resterende afhankelijkheid zit bovendien puur in het radiotoegangsnetwerk (de antennes, oftewel de RAN) en is geografisch gecentreerd in slechts drie landen: Duitsland, Spanje en Italië. Het probleem spitst zich toe op drie specifieke telecomconcerns: Deutsche Telekom, Vodafone en Telefónica. Zij hebben destijds de commerciële gok genomen om ondanks alle politieke waarschuwingen toch met Chinese hardware te upgraden naar 5G.
In Duitsland is bijvoorbeeld 58 procent van de 5G-antennes van Huawei. Het vervangen daarvan kost naar schatting 2,5 miljard euro in totaal. Hoewel dat veel klinkt, komt het neer op een eenmalige investering van slechts 29 euro per Duitse burger.
"Voor een speler als Deutsche Telekom, die jaarlijks honderden miljoenen in zijn netwerk pompt, is dit een beheersbare, eenmalige modernisering in plaats van een onoverkomelijke terugkerende kostenpost", aldus Strand Consult.
De prijs van nietsdoen
Volgens de onderzoekers moeten beleidsmakers niet kijken naar de kosten van vervanging, maar naar de prijs van nietsdoen. Nu vitale infrastructuren en defensiesystemen steeds afhankelijker worden van 5G-netwerken, is spionage of sabotage tijdens een geopolitieke crisis een onacceptabel risico. Operators die weigeren over te stappen naar 'schone' netwerken, prijzen zichzelf bovendien uit de markt voor lucratieve defensie- en overheidsopdrachten waar absolute datasoevereiniteit een harde eis is.