Strijd tegen nepnieuws begint in de offline wereld
Of mensen onwetenschappelijke claims op sociale media geloven, hangt voor een belangrijk deel samen met hun ervaringen in de echte, offline wereld. Wie de negatieve gevolgen van misinformatie wil bestrijden, moet daarom verder kijken dan alleen het aanpakken van nepnieuws op internet. Er moet juist aandacht komen voor de offline voedingsbodem van de ontvangers.
Dat blijkt uit het rapport 'Wikken en weten' dat het Rathenau Instituut heeft gepubliceerd.
De zorgen over online misinformatie groeien. Berichten met onwetenschappelijke claims, zoals "Nederlands kraanwater is ongezond" of "Zonnebrandcrème is net zo kankerverwekkend als verbranden in de zon", worden dagelijks miljoenen keren bekeken. Maar wat doen dit soort berichten daadwerkelijk met ons vertrouwen in de wetenschap?
Het Rathenau Instituut zocht het uit en analyseerde hiervoor circa 8.500 vragenlijsten van een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking, aangevuld met zeven diepgaande focusgroepen.
De psychologie achter de klik
Het onderzoek laat zien dat het geloven van een online bewering een complex samenspel is van factoren. Natuurlijk speelt het bericht zelf een rol: de tekst, de vormgeving, het specifieke platform en wie de afzender is.
De cruciale factor ligt echter bij de ontvanger zelf. Persoonlijke kennis, dagelijkse ervaringen en de basishouding die iemand heeft tegenover instituties zoals de wetenschap, de media en de politiek, geven de doorslag. Wie in het dagelijks leven negatieve ervaringen heeft opgedaan met bijvoorbeeld de reguliere gezondheidszorg of overheidsinstanties, staat daardoor sneller open voor alternatieve claims op sociale media.
Sociale media niet blindelings de schuldige
Een opvallende conclusie uit het rapport is dat intensief socialemediagebruik niet automatisch leidt tot minder vertrouwen in de wetenschap of een groter geloof in misinformatie. De sleutel ligt in het bredere mediagebruik van de burger.
Brede informatievoorziening: Mensen die sociale media intensief gebruiken, maar daarnaast ook via kranten, documentaires of vakbladen in aanraking komen met wetenschap, blijken goed bestand tegen misinformatie.
De gevarenzone: Mensen voor wie sociale media de voornaamste of enige bron van informatie zijn over wetenschappelijke onderwerpen, laten wel een beduidend lager vertrouwen in de wetenschap zien.
Daarnaast vonden de onderzoekers specifieke risicogroepen waarbij veel schermtijd op sociale media wél direct samenhangt met het geloven van nepnieuws, zoals ouderen die digitaal minder breed georiënteerd zijn.
Pleidooi voor een brede aanpak
Beleidsmakers, artsen en wetenschappers die de strijd aan willen gaan met online misinformatie, moeten hun strategieën drastisch herzien, zo stelt het instituut. Alleen maar 'factchecken' of berichten rapporteren is symptoombestrijding.
"Onze resultaten laten zien dat zo'n aanpak zich niet alleen moet richten op de socialemediaberichten zelf, maar ook op de voedingsbodem waarop die berichten landen", verklaart Anne-Floor Scholvinck, onderzoeker bij het Rathenau Instituut. "Persoonlijke ervaringen in het dagelijks leven en met bijvoorbeeld artsen spelen daarbij een rol."
Volgens Scholvinck moeten gerichte interventies specifiek worden afgestemd op kwetsbare groepen. "Denk aan ouderen die veel tijd doorbrengen op sociale media en via weinig andere kanalen in aanraking komen met wetenschappelijke informatie." De echte oplossing voor het online probleem ligt, zo concludeert het rapport, voor een groot deel in het versterken van het vertrouwen en de communicatie in de offline wereld.